Galerie Wijdemeren
's-Graveland

HOME | NIEUWSBRIEF | Contact
Collectie Schilderijen

Vanwege onze grote collectie en beperkte expositie-ruimte, zijn niet alle werken die wij op de website aanbieden gelijktijdig in de galerie aanwezig.

Belt u ons gerust even voordat u onze galerie bezoekt, om te horen of de werken waar uw belangstelling naar uitgaat in huis zijn, of op afspraak in huis gehaald kunnen worden. J. Schipper, tel.: 06-41277246

 

Nog meer Winter

Musea in Wintersferen


Rondreis langs verschillende musea:

In de winter kun je het flink koud hebben,
maar er is van oudsher ook veel ijsvermaak.

IJspret
Zo gauw Erwin Kroll een vorstperiode van een paar dagen en nachten aankondigt, begint het in Nederland bij veel mensen te kriebelen: schaatsen! Die schaatskoorts moet haast wel in de genen zitten, want ijspret is al eeuwenlang verbonden aan de Hollandse winter.

Winterlandschappen
Naast zelf het ijs opgaan zijn in de 17de eeuw ook schilderijen van winterlandschappen en vermaak op het ijs populair. Dat kan te maken hebben met het weer: de winters in die tijd waren behoorlijk kouder dan nu. Vanaf het midden van de 16de tot halverwege de 19de eeuw waren de winters in Nederland zo koud, dat die periode wel de Kleine IJstijd genoemd wordt. Bevroren grachten en meren, schaatsenrijders, sleeën en spelletjes op het ijs tegen een achtergrond van besneeuwde bomen, molens en boerderijen: dankzij de schilders weten we precies wat onze voorouders verstonden onder ijspret.

Verwarming
Die koude winters hadden niet alleen voordelen: het was erg lastig om de vaak tochtige huizen te verwarmen. Ondanks warme wollen dekens en loeiende kachels moeten mensen vroeger veel kou hebben geleden. Maar dat deed niets af aan het enthousiasme voor activiteiten op en rond het ijs.

Runderbotten
Al in de prehistorie bewoog men zich over het ijs - niet op schaatsen, maar op glissen. Dat waren lange botten van runderen, aan twee zijden platgemaakt en van gaten voorzien. Door de gaten trok je leren veters waarmee je de glis onder je schoen bevestigde.

Langlaufen
Op glissen kon je redelijk glijden, maar goed afzetten ging niet echt. Je gebruikte dan ook een of twee prikstokken, stokken met een scherpe punt, om je voort te bewegen, qua beweging leek het meer op langlaufen dan op schaatsen. Vanaf de 15de eeuw verschenen er ijzeren schaatsen, maar dat betekende nog niet het einde van de glis. Nog tot in de 19de eeuw werd de glis gebruikt om kinderen op een goedkope manier te leren schaatsen.

Zadelmaker
Tot het begin van de 20ste eeuw waren er veel verschillende modellen schaatsen, omdat de productie een zeer plaatselijke activiteit was. Schaatsen werden gemaakt door de plaatselijke timmerman, smid en zadel- of schoenmaker, die naar eigen inzicht een model ontwierpen. Toch was er van oudsher een onderscheid tussen Friese en Hollandse schaatsen. Friezen reden voornamelijk grote afstanden en hadden daarvoor lange schaatsen nodig. De Hollandse schaats was korter en was vooral geschikt om op de bevroren grachten van de stad te zwieren.

Prikslee
Behalve schaatsenrijders waren er ook veel sleetjes op het ijs te vinden. Het meest voorkomend waren de priksleetjes, bijna elk huishouden had er wel een. Het waren eenvoudige houten bakjes, waarbij je je benen aan weerszijden of in een gat in de bodem moest houden. In iedere hand had je een prikstok, waarmee je je vooruit bewoog. Vooral bij kinderen waren dergelijke sleetjes populair. De meest eenvoudige priksleetjes werden gemaakt van de onderkaken van een paard,
waar een plankje op getimmerd werd.

Duwslee
Wat comfortabeler was de duwslee: een wat hogere houten bak waar je in kon zitten, met aan de achterzijde een greep waarmee iemand anders de slee kon voortduwen (zie foto). Zo'n slee had houten of ijzeren glijlatten en was meestal mooi versierd, vaak met een bijbels tafereel of een allegorie op de winter.

Arreslee
Naast de sleeën voor vermaak waren er de wat serieuzere uitvoeringen: de arreslee, bespannen met twee, vier of nog meer paarden, die gebruikt werd voor personenvervoer. Tijdens de lange vorstperioden werden waterwegen gewoon als weg gebruikt, en gingen zelfs gewone koetsen en karren het ijs op.

Koude winternachten
Tegenwoordig slaapt iedereen onder warme dekbedden, maar vroeger waren er alleen wollen dekens en flanellen lakens om tijdens koude winternachten warm te blijven. In de slecht geïsoleerde en niet-verwarmde slaapkamers waren zij hard nodig.

Dekendoek
Vanaf de 19de eeuw worden dekens industrieel vervaardigd, een heel bewerkelijk proces. De ruwe wol werd losgemaakt en gemengd en vervolgens gesponnen tot draden. Het gesponnen garen werd door spoelmachines op pijpjes en klossen gespoeld en op weefgetouwen geweven tot ruwe dekendoek. Dat doek werd gecontroleerd op fouten en zonodig gerepareerd.

V ollen
De dekenstof was dan nog open van structuur: je kon de draden nog zien. Om het doek dichter en dus warmer te maken, werden de schubben van de wolvezels door chemicaliën geopend (vollen), waardoor een stevige, dichte stof ontstond. De techniek van het vollen bestond al voordat er fabrieken en chemicaliën waren. Vollen gebeurde toen met een mengsel van soda en ammoniak, gewonnen uit (menselijke) urine. Het gevolde doek werd vervolgens geruwd, waarbij de wolvezels losgetrokken werden tot een wollige laag. De deken werd op maat gesneden, afgewerkt en opgeslagen in het magazijn.

Vlaamse details
Het landschap als zelfstandig genre in de schilderkunst bestaat pas sinds de zestiende eeuw. Tot die tijd fungeerde een landschap als achtergrond bij een bijbels of mythologisch verhaal. Het eerste echte winterlandschap werd in 1565 geschilderd door de Vlaamse schilder Pieter Brueghel de Oude: een bergachtige landschap dat eerder aan de Alpen dan aan België doet denken, maar met typisch Vlaamse details, zoals boerderijen en ijsvermaak. Pas na 1600 zouden ook in de noordelijke Nederlanden winterlandschappen verschijnen.

Hollands landschap
Die eerste winterlandschappen waren nog duidelijk geïnspireerd op Vlaamse voorbeelden, maar al snel trokken de kunstenaars naar buiten en legden het Hollandse landschap vast. De Hollandse schilders hadden een goed oog voor detail en legde met duidelijk enthousiasme alle vormen van ijsvermaak zorgvuldig vast op doek.

IJshockey
Daardoor weten we precies waaruit het ijsvermaak bestond. En dat is eigenlijk hetzelfde als vandaag: kinderen die sneeuwballen gooien, mensen met sleeën en natuurlijk schaatsenrijders. De meest beoefende sport op het ijs was het kolven, een sport die nu niet meer beoefend wordt, maar veel lijkt op het hedendaagse ijshockey (zie linksvoor op de foto).

Tochtig en koud
Kastelen waren naast verdedigingswerken en statussymbolen ook gewoon woonhuizen. Maar die bewoning was, zeker in de winter, geen pretje. Kastelen waren tochtige en koude gebouwen, waarbij de enige warmte kwam van open vuren. De muren werden met van alles en nog wat bedekt om vocht te weren. Luiken, gordijnen en wandtapijten moesten de kou en tocht zoveel mogelijk buiten houden.

Kostbaar
Wandtapijten waren in eerste instantie dus functioneel, maar ze waren zo kostbaar dat ze ook werden aangegrepen om te pronken met rijkdom. Kastelen hadden vaak hele series tapijten hangen die een verhaal vertelden uit de bijbel, mythologie of geschiedenis. Die tapijten werden voornamelijk gemaakt in Parijs en verschillende steden in noord-Frankrijk en Vlaanderen, waar al in de 14de eeuw de productie van wandtapijten uitgroeide tot een ware industrie.

Brussel
Kasteel De Haar heeft in totaal zeven wandtapijten, waarvan drie deel uitmaken van een serie van tien over 'De verlossing van het mensdom', tussen 1510 en 1515 vervaardigd in Brussel. De drie tapijten hebben als onderwerp 'De schepping en de zondeval', 'De strijd tussen de deugden en ondeugden' en 'De hemelvaart van Christus'. De afbeelding toont een gedeelte van De Schepping.

Haardpartijen
Eeuwenlang hadden woonhuizen vaak maar één vertrek, waar continu een groot vuur brandde, om op te koken en voor verwarming. Vanaf de 17de eeuw kregen huizen meerdere vertrekken, met in de woonvertrekken haarden voor verwarming en een vuur om op te koken in de keuken.

Kolen
Houtvuren moesten goed in de gaten worden gehouden (brandgevaar), maar kolenvuren waren een stuk makkelijker in gebruik. Het vuur was beter controleerbaar en gaf minder rook en roet. In de loop van de 19de eeuw stonden in de meeste Nederlandse woningen kleine en gedeeltelijk afsluitbare kachels van gietijzer die speciaal voor kolenvuur bedoeld waren.

IJsbloemen
De woonruimtes waar die kachels stonden te branden waren over het algemeen goed warm te houden, maar in de rest van het huis was het steenkoud. Op slaapkamers was geen verwarming - men sliep onder warme wollen dekens en tussen flanellen lakens, al dan niet voorverwarmd met een kruik. Hoe koud het eigenlijk was bleek vaak 's ochtends: dan waren de dekens helemaal klam geworden van het vocht en stonden de ijsbloemen op de ramen - binnen! Pas in de loop van de jaren zestig, met de ontdekking van aardgas, kwam er een verandering in deze situatie en verscheen in alle vertrekken centrale verwarming.

Elf Friese steden
De beroemdste schaatswedstrijd ter wereld is zonder twijfel de Friese Elfstedentocht. Al in de 18de eeuw reden schaatsenrijders op één dag langs alle elf Friese steden, maar in 1909 werd de tocht een officiële wedstrijd. In datzelfde jaar werd de Vereniging de Friesche Elf Steden opgericht, die tot op de dag van vandaag de 'Tocht der tochten' organiseert.

Klunen
Om een Elfstedentocht te kunnen houden, moet het ijs minimaal 15 cm dik zijn, om alle duizenden deelnemers te kunnen houden. Op zwakke stukken worden soms 'ijstransplantaties' uitgevoerd: dik ijs wordt elders uitgezaagd en op de zwakke plek gelegd om aan te vriezen. Of de schaatsers moeten 'klunen': lopen over houten betimmeringen op het ijs, of even de wal opgaan over tapijt of rubbermatten.

Leeuwarden
De Elfstedentocht kent wedstrijdrijders en toerrijders. De wedstrijdrijders vertrekken om half zes 's ochtends in Leeuwarden en doen er zo'n 7 uur over om daar weer terug te komen. Toerrijders vertrekken na hen en hebben tot 12 uur 's nachts de gelegenheid om de tocht te volbrengen. De beroemdste (beruchtste?) editie van de Elfstedentocht was die van 1963, gewonnen door Reinier Paping. De omstandigheden tijdens de tocht waren zo slecht, dat van de 9.294 toerrijders er slechts 69 de tocht hebben uitgereden.

Bron: www.museum.nl

 

 

Foto's en musealinks volgen z.s.m.

wordt aan gewerkt!