Rondreis langs verschillende musea:
In de winter kun je het flink koud hebben,
maar er is van oudsher ook veel ijsvermaak.
IJspret
Zo gauw Erwin Kroll een vorstperiode van een paar dagen
en nachten aankondigt, begint het in Nederland bij veel
mensen te kriebelen: schaatsen! Die schaatskoorts moet
haast wel in de genen zitten, want ijspret is al eeuwenlang
verbonden aan de Hollandse winter.
Winterlandschappen
Naast zelf het ijs opgaan zijn in de 17de eeuw ook schilderijen
van winterlandschappen en vermaak op het ijs populair.
Dat kan te maken hebben met het weer: de winters in die
tijd waren behoorlijk kouder dan nu. Vanaf het midden
van de 16de tot halverwege de 19de eeuw waren de winters
in Nederland zo koud, dat die periode wel de Kleine IJstijd
genoemd wordt. Bevroren grachten en meren, schaatsenrijders,
sleeën en spelletjes op het ijs tegen een achtergrond
van besneeuwde bomen, molens en boerderijen: dankzij de
schilders weten we precies wat onze voorouders verstonden
onder ijspret.
Verwarming
Die koude winters hadden niet alleen voordelen: het was
erg lastig om de vaak tochtige huizen te verwarmen. Ondanks
warme wollen dekens en loeiende kachels moeten mensen
vroeger veel kou hebben geleden. Maar dat deed niets af
aan het enthousiasme voor activiteiten op en rond het
ijs.
Runderbotten
Al in de prehistorie bewoog men zich over het ijs - niet
op schaatsen, maar op glissen. Dat waren lange botten
van runderen, aan twee zijden platgemaakt en van gaten
voorzien. Door de gaten trok je leren veters waarmee je
de glis onder je schoen bevestigde.
Langlaufen
Op glissen kon je redelijk glijden, maar goed afzetten
ging niet echt. Je gebruikte dan ook een of twee prikstokken,
stokken met een scherpe punt, om je voort te bewegen,
qua beweging leek het meer op langlaufen dan op schaatsen.
Vanaf de 15de eeuw verschenen er ijzeren schaatsen, maar
dat betekende nog niet het einde van de glis. Nog tot
in de 19de eeuw werd de glis gebruikt om kinderen op een
goedkope manier te leren schaatsen.
Zadelmaker
Tot het begin van de 20ste eeuw waren er veel verschillende
modellen schaatsen, omdat de productie een zeer plaatselijke
activiteit was. Schaatsen werden gemaakt door de plaatselijke
timmerman, smid en zadel- of schoenmaker, die naar eigen
inzicht een model ontwierpen. Toch was er van oudsher
een onderscheid tussen Friese en Hollandse schaatsen.
Friezen reden voornamelijk grote afstanden en hadden daarvoor
lange schaatsen nodig. De Hollandse schaats was korter
en was vooral geschikt om op de bevroren grachten van
de stad te zwieren.
Prikslee
Behalve schaatsenrijders waren er ook veel sleetjes op
het ijs te vinden. Het meest voorkomend waren de priksleetjes,
bijna elk huishouden had er wel een. Het waren eenvoudige
houten bakjes, waarbij je je benen aan weerszijden of
in een gat in de bodem moest houden. In iedere hand had
je een prikstok, waarmee je je vooruit bewoog. Vooral
bij kinderen waren dergelijke sleetjes populair. De meest
eenvoudige priksleetjes werden gemaakt van de onderkaken
van een paard,
waar een plankje op getimmerd werd.
Duwslee
Wat comfortabeler was de duwslee: een wat hogere houten
bak waar je in kon zitten, met aan de achterzijde een
greep waarmee iemand anders de slee kon voortduwen (zie
foto). Zo'n slee had houten of ijzeren glijlatten en was
meestal mooi versierd, vaak met een bijbels tafereel of
een allegorie op de winter.
Arreslee
Naast de sleeën voor vermaak waren er de wat serieuzere
uitvoeringen: de arreslee, bespannen met twee, vier of
nog meer paarden, die gebruikt werd voor personenvervoer.
Tijdens de lange vorstperioden werden waterwegen gewoon
als weg gebruikt, en gingen zelfs gewone koetsen en karren
het ijs op.
Koude winternachten
Tegenwoordig slaapt iedereen onder warme dekbedden, maar
vroeger waren er alleen wollen dekens en flanellen lakens
om tijdens koude winternachten warm te blijven. In de
slecht geïsoleerde en niet-verwarmde slaapkamers
waren zij hard nodig.
Dekendoek
Vanaf de 19de eeuw worden dekens industrieel vervaardigd,
een heel bewerkelijk proces. De ruwe wol werd losgemaakt
en gemengd en vervolgens gesponnen tot draden. Het gesponnen
garen werd door spoelmachines op pijpjes en klossen gespoeld
en op weefgetouwen geweven tot ruwe dekendoek. Dat doek
werd gecontroleerd op fouten en zonodig gerepareerd.
V ollen
De dekenstof was dan nog open van structuur: je kon de
draden nog zien. Om het doek dichter en dus warmer te
maken, werden de schubben van de wolvezels door chemicaliën
geopend (vollen), waardoor een stevige, dichte stof ontstond.
De techniek van het vollen bestond al voordat er fabrieken
en chemicaliën waren. Vollen gebeurde toen met een
mengsel van soda en ammoniak, gewonnen uit (menselijke)
urine. Het gevolde doek werd vervolgens geruwd, waarbij
de wolvezels losgetrokken werden tot een wollige laag.
De deken werd op maat gesneden, afgewerkt en opgeslagen
in het magazijn.
Vlaamse details
Het landschap als zelfstandig genre in de schilderkunst
bestaat pas sinds de zestiende eeuw. Tot die tijd fungeerde
een landschap als achtergrond bij een bijbels of mythologisch
verhaal. Het eerste echte winterlandschap werd in 1565
geschilderd door de Vlaamse schilder Pieter Brueghel de
Oude: een bergachtige landschap dat eerder aan de Alpen
dan aan België doet denken, maar met typisch Vlaamse
details, zoals boerderijen en ijsvermaak. Pas na 1600
zouden ook in de noordelijke Nederlanden winterlandschappen
verschijnen.
Hollands landschap
Die eerste winterlandschappen waren nog duidelijk geïnspireerd
op Vlaamse voorbeelden, maar al snel trokken de kunstenaars
naar buiten en legden het Hollandse landschap vast. De
Hollandse schilders hadden een goed oog voor detail en
legde met duidelijk enthousiasme alle vormen van ijsvermaak
zorgvuldig vast op doek.
IJshockey
Daardoor weten we precies waaruit het ijsvermaak bestond.
En dat is eigenlijk hetzelfde als vandaag: kinderen die
sneeuwballen gooien, mensen met sleeën en natuurlijk
schaatsenrijders. De meest beoefende sport op het ijs
was het kolven, een sport die nu niet meer beoefend wordt,
maar veel lijkt op het hedendaagse ijshockey (zie linksvoor
op de foto).
Tochtig en koud
Kastelen waren naast verdedigingswerken en statussymbolen
ook gewoon woonhuizen. Maar die bewoning was, zeker in
de winter, geen pretje. Kastelen waren tochtige en koude
gebouwen, waarbij de enige warmte kwam van open vuren.
De muren werden met van alles en nog wat bedekt om vocht
te weren. Luiken, gordijnen en wandtapijten moesten de
kou en tocht zoveel mogelijk buiten houden.
Kostbaar
Wandtapijten waren in eerste instantie dus functioneel,
maar ze waren zo kostbaar dat ze ook werden aangegrepen
om te pronken met rijkdom. Kastelen hadden vaak hele series
tapijten hangen die een verhaal vertelden uit de bijbel,
mythologie of geschiedenis. Die tapijten werden voornamelijk
gemaakt in Parijs en verschillende steden in noord-Frankrijk
en Vlaanderen, waar al in de 14de eeuw de productie van
wandtapijten uitgroeide tot een ware industrie.
Brussel
Kasteel De Haar heeft in totaal zeven wandtapijten, waarvan
drie deel uitmaken van een serie van tien over 'De verlossing
van het mensdom', tussen 1510 en 1515 vervaardigd in Brussel.
De drie tapijten hebben als onderwerp 'De schepping en
de zondeval', 'De strijd tussen de deugden en ondeugden'
en 'De hemelvaart van Christus'. De afbeelding toont een
gedeelte van De Schepping.
Haardpartijen
Eeuwenlang hadden woonhuizen vaak maar één
vertrek, waar continu een groot vuur brandde, om op te
koken en voor verwarming. Vanaf de 17de eeuw kregen huizen
meerdere vertrekken, met in de woonvertrekken haarden
voor verwarming en een vuur om op te koken in de keuken.
Kolen
Houtvuren moesten goed in de gaten worden gehouden (brandgevaar),
maar kolenvuren waren een stuk makkelijker in gebruik.
Het vuur was beter controleerbaar en gaf minder rook en
roet. In de loop van de 19de eeuw stonden in de meeste
Nederlandse woningen kleine en gedeeltelijk afsluitbare
kachels van gietijzer die speciaal voor kolenvuur bedoeld
waren.
IJsbloemen
De woonruimtes waar die kachels stonden te branden waren
over het algemeen goed warm te houden, maar in de rest
van het huis was het steenkoud. Op slaapkamers was geen
verwarming - men sliep onder warme wollen dekens en tussen
flanellen lakens, al dan niet voorverwarmd met een kruik.
Hoe koud het eigenlijk was bleek vaak 's ochtends: dan
waren de dekens helemaal klam geworden van het vocht en
stonden de ijsbloemen op de ramen - binnen! Pas in de
loop van de jaren zestig, met de ontdekking van aardgas,
kwam er een verandering in deze situatie en verscheen
in alle vertrekken centrale verwarming.
Elf Friese steden
De beroemdste schaatswedstrijd ter wereld is zonder twijfel
de Friese Elfstedentocht. Al in de 18de eeuw reden schaatsenrijders
op één dag langs alle elf Friese steden,
maar in 1909 werd de tocht een officiële wedstrijd.
In datzelfde jaar werd de Vereniging de Friesche Elf Steden
opgericht, die tot op de dag van vandaag de 'Tocht der
tochten' organiseert.
Klunen
Om een Elfstedentocht te kunnen houden, moet het ijs minimaal
15 cm dik zijn, om alle duizenden deelnemers te kunnen
houden. Op zwakke stukken worden soms 'ijstransplantaties'
uitgevoerd: dik ijs wordt elders uitgezaagd en op de zwakke
plek gelegd om aan te vriezen. Of de schaatsers moeten
'klunen': lopen over houten betimmeringen op het ijs,
of even de wal opgaan over tapijt of rubbermatten.
Leeuwarden
De Elfstedentocht kent wedstrijdrijders en toerrijders.
De wedstrijdrijders vertrekken om half zes 's ochtends
in Leeuwarden en doen er zo'n 7 uur over om daar weer
terug te komen. Toerrijders vertrekken na hen en hebben
tot 12 uur 's nachts de gelegenheid om de tocht te volbrengen.
De beroemdste (beruchtste?) editie van de Elfstedentocht
was die van 1963, gewonnen door Reinier Paping. De omstandigheden
tijdens de tocht waren zo slecht, dat van de 9.294 toerrijders
er slechts 69 de tocht hebben uitgereden.
Bron: www.museum.nl